Boek/4385
Prins Kerisj, zijn halfbroer Forollkin en hun metgezel – de hondsbrutale muzikant Gidjabolgo – hebben nu twee van de zeven tovenaars gevonden. Kerisj heeft hen kunnen overhalen hun sleutels af te staan. Nu moet hij er nog vijf bemachtigen om het grote rijk Galkis met zijn Gouden Stad voor groot gevaar te behoeden. De volgende tovenaar woont in een citadel aan de rand van de Verste Bergen. Hun route loopt door dodelijke moerassen, waar elke plas, bloem o en insect levensgevaarlijk kan zijn. Daarna krijgen ze te kampen met sneeuw en kou en dreigen ze zelfs om te komen. Maar Kerisj weet aan de dood te ontsnappen en zijn vrienden te redden. De tovenaar blijkt een tovenares te zijn, die haar sleutel wel wil geven, maar op één voorwaarde, anders. Voor de vierde sleutel trekken ze door de vlakten waar de Kinderen van de Wind wonen, het volk van Kerisj moeder, die hem tegen zijn zin voorgoed bij zich wil houden.


